<< Terug naar het nieuwsoverzicht van 2001

25-10-2001

Nederland - Vlaanderen:
De remmende voorsprong

Hoewel dichtbij gelegen, is voor Nederland het Vlaamse gewest toch een ander land met een enigszins andere cultuur. Op bodemgebied geldt voor ons land in vergelijking met Vlaanderen misschien de wet van de remmende voorsprong: het beleid kwam er later tot stand, maar de uitvoering verloopt efficiënter dan bij ons en is gebaseerd op functiegericht saneren. Wij spraken hierover met ir. Victor Dries van de Openbare afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse gewest OVAM, die zich bezighoudt met beleid, uitvoering, voorlichting en research.

Bij de internationale contacten die SKB onderhoudt neemt België, in casu Vlaanderen, een prominenete plaats in. Dit blijkt bij voorbeeld uit het feit dat tijdens het eerder dit jaar gehouden Consoilcongres, mede door toedoen van SKB, is besloten om het volgende congres in 2003 in Vlaanderen te houden. Er is afgesproken dat tijdens dit congres OVAM en SKB een aparte sessie organiseren, waarin beide landen de vorderingen van hun onderzoek op bodemgebied zullen presenteren.
Hoewel, zoals gezegd, Vlaanderen niet ver weg ligt, is het bodembeleid er anders georganiseerd dan bij ons. Voor nieuwsgierige Hollanders is het interessant om kennis te nemen van de wijze waarop onze zuiderburen het organiseren.
Om te beginnen vroegen wij Viktor Dries, hoofd van de Dienst Ondersteuning van de OVAM, wat voor organisatie dit is en of deze te vergelijken is met een Nederlandse organisatie op dit gebied. Dries de organisator van beleid is bij ons inderdaad verschillend met die in Nederland. In Vlaanderen bepaalt de Minister van Leefmilieu het beleid, maar in plaats van een omvangrijk ministerie dat het beleid formuleert kennen wij zogenoemde pararegionale organisaties. Dit zijn door de overheid ingestelde agentschappen die bepaalde taken moeten uitvoeren. Het ministerie is de baas, maar deze organisaties hebben een zekere onafhankelijkheid en beslissingsbevoegdheden. Ze mogen ook zelf contracten sluiten en doen ook aan beleidsvoorbereiding, in wisselwerking met het ministerie. De OVAM is zo'n openbare instelling, met als taken preventie en recyclage van afvalstoffen en bodemsanering. Daarnaast zijn er de VLM (Vlaamse Landmaatschappij) die zich met de landinrichting en mestproblematiek bezighoudt, de VMM (Vlaamse Milieumaatschappij) die belast is met oppervlaktewater. Binnen het ministerie is er dan nog AMINAL (Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer), met als belangrijke taak algemene beleidsvoorbereiding rond milieuvergunningen, integraal waterbeleid, lucht, natuurbeheer… en milieu-inspectie.
Behalve de genoemde pararegionale organisaties, vallen er onder het Vlaamse ministerie nog enkele gespecialiseerde wetenschappelijke instellingen, zoals Vito, het Vlaams Instituut voor Technologisch Onderzoek. Dit instituut is volgens Dries vergelijkbaar met TNO, en voert ook kwaliteitstoetsen uit over onderzoek dat door OVAM is verricht. Een apart onderdeel is de Vlaamse milieuholding waaronder de organisatie Indaver is opgericht om op 50/50 procent-basis met het bedrijfsleven bedrijven op te richten die zich bezighouden met bij voorbeeld recuperatie van industrieel afval of de ontwikkeling van schone technologie.

Bodembeleid
Zoals ook in ons land is de uitvoering van het beleid in Vlaanderen sectoraal ingericht, waarbij er wel eens conflicten ontstaan tussen OVAM en AMINAL, omdat bodem en waterverontreiniging elkaar nu eenmaal raken. Dries is daarentegen zeer content over de wijze waarop het bodemsaneringsbeleid wordt uitgevoerd en die tot een stroomversnelling bij de sanering heeft geleidt: 'wij kennen sinds '95 in Vlaanderen het bodemsaneringsdecreet, met daaraan gekoppeld een aantal uitvoeringsbesluiten. In het decreet wordt onderscheid gemaakt tussen historische en nieuwe verontreiniging die na 1995 is vastgesteld. Voor de nieuwe verontreiniging geldt de bodemsaneringsnorm, die is gebaseerd op de functiegerichtheid van de bodem en op milieurisico's. Deze norm is vergelijkbaar met jullie interventiewaarden. De historische bodemverontreiniging, die urgent is op basis van risico's moet binnen 40 jaar worden gesaneerd.'
Een belangrijk aspect van het bodemsaneringsdecreet is volgens Dries de zorgplicht die rust op de beheerder van de grond. Bij de overdracht (verkoop) van grond moet de verkoper, als er activiteiten zijn uitgeoefend die bodemverontreiniging kunnen hebben veroorzaakt, aan kunnen tonen dat de bodem onder het perceel niet verontreinigd is. Dit moet worden vastgesteld in een oriënterend onderzoek door een erkend saneringsdeskundige. Blijkt er toch verontreiniging te zijn, dan kan hij door de nieuwe eigenaar hierop worden aangesproken, en moet hij zorgen voor een financiële zekerheidsinstelling. Dries door zo de saneringsplicht te koppelen aan het overdrachtsmoment hebben wij een belangrijk instrument om bedrijven zicht te laten aanmelden in geval van bodemverontreiniging. De verkoper moet in zo'n geval een bodemattest aanvragen waarin hij de mate van verontreiniging moet aangeven. Het gros blijkt dit inderdaad te doen, waardoor wij als overheid er minder achteraan moeten zitten'.
Desondanks zijn er ook in Vlaanderen uiteraard problemen als bedrijven financieel niet in staat zijn aan hun verplichtingen te voldoen.

OVAM
De positie en taken van de OVAM zijn volgens Dries niet te vergelijken met een Nederlandse organisatie: 'wij zijn belast met beleidsvoorbereiding, beleidsuitvoering, kennisverspreiding, onderzoek en het budgetbeheer. Als zodanig zitten wij in tussen het Ministerie van VROM, de provincies en SKB. Wij moeten het alleen met een veel beperkter budget doen en met slechts 75 personeelsleden. Gezien de taken die we moeten uitvoeren zijn dit de grootste knelpunten, maar het dwingt ons ook om efficiënt te zijn. Omdat we een kleine organisatie zijn, kennen we elkaar en hebben korte lijnen; op die manier is er een snelle terugkoppeling tussen beleidsvoorbereiding en de uitvoering van het beleid. Ik heb de indruk dat er in Nederland tegen het ministerie als een ivoren toren wordt aangekeken, dat is bij OVAM niet zo'.

Gevraagd naar de voor- en nadelen van de Nederlandse overlegcultuur is Dries van mening dat de efficiëntie daar wel eens onder te lijden heeft. Hij vervolgt: 'ook bij OVAM heeft overleg met maatschappelijke factoren als het bedrijfsleven, bijvoorbeeld als we nieuwe normen willen invoeren. We streven naar een open overleg met alle actoren, waarbij mijn ervaring is dat de samenwerking met het bedrijfsleven soepeler verloopt dan met medeoverheidsorganen. Bij dat overleg, waar we alle gegevens op tafel leggen, willen we in maximaal twee vergaderingen eruit zijn. Dit blijkt zeer goed te werken en vaak beter dan in Nederland, waarbij jullie soms heel veel tijd verloren laten gaan bij pogingen om alle neuzen in dezelfde richting te krijgen bij nieuwe projecten. Daar zit volgens mij een deel van de stagnatie op bodemgebied, hoewel het er wel heel goede ideeën leven'.

Veel geld
Bij een vergelijking tussen Nederland en Vlaanderen moet het Dries van het hart dat hij de indruk krijgt dat er in Nederland soms te veel geld is. 'Het is een luxe-probleem, maar het gevaar is dat sommigen zich helemaal gaan richten op het zodanig schrijven van projectvoorstellen dat daarmee geld binnengehaald kan worden, en men zich niet meer afvraag: wat de noodzaak van een project is. Ik heb soms ook de indruk dat die ruime subsidies voor technologie-ontwikkeling leiden tot een soort overschoot aan projecten, die vanwege de hoeveelheid en de breedte moeilijk te managen zijn. Bij OVAM richten wij ons met ons onderzoek niet op bepaalde niches. Het gaat dan om sanering van grond met zware metalen en ecotoxicologisch onderzoek op het terrein, vooral voor zware metalen.

Nadere informatie kunt u vinden op www.ovam.be.

bron: Stichting Kennisontwikkeling en Kennisoverdracht Bodem