<< Terug naar het nieuwsoverzicht van 2002

14-06-2002

Schip vol asbest, maar niemand die haast maakt

De 26 ton asbest die zeelui eigenhandig uit de Mexicaanse tanker Otapan in Amsterdam-Noord hadden gesloopt, lag waarschijnlijk al maanden op het dek toen het afval 12 juni 2001 werd opgemerkt. Na de ontdekking duurde het nog twee weken eer alarm werd geslagen. Dat blijkt uit een rapport van het Crisis Onderzoeksteam (COT), dat schetst hoe ambtenaren langs elkaar heen werkten.

Informatie werd niet uitgewisseld, de risico's werden laat beseft, de communicatie tussen overheidsdiensten schoot tekort en niemand had overzicht in de weken voordat burgemeester Job Cohen de rampenstaf bijeenriep en besloot een strook van een kilometer - vanaf de Klaprozenweg naar het IJ - af te laten sluiten door 150 agenten.
De chronologie, zoals die blijkt uit het COT-rapport: De bemanning van patrouillevaartuig Havendienst 5 ziet 12 juni 2001 om twaalf uur 's middags drieduizend vuilniszakken op het dek van de Otapan liggen met "ladingisolatie en rest- afval van de ladingstanks (roest) met vermoedelijk asbest". Het schip blijkt sinds september aangemeerd in Amsterdam, vanaf 7 april op ligplaats 5 bij de werf Shipdock voor reparatie: Mogelijk zijn de 23 opvarenden allang bezig met het slopen van asbest van het schip.
De chef van wacht geeft de melding door aan de afdeling Gevaarlijke Stoffenen Milieu (GSM) van het Havenbedrijf. De gewaarschuwde milieucoördinator van Shipdock vraagt de kapitein van de zwaveltanker elke zak in een nieuwe te verpakkenen die goed dicht te plakken.
Op 18 juni meldt GSM dat het asbest in eigen beheer is verwijderd. Maar twee dagen later, woensdag 20 juni, zien twee douaniers een met zakken bezaaid dek. Zij melden dit aan een medewerker van de Arbeidsinspectie, die personeel van Shipdock verbiedt het schip op te gaan.
Op maandag 25 juni neemt de Inspectie Milieuhygiëne contact op met het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD), waar de waterpolitie onder valt. De hulp van de waterpolitie wordt gevraagd bij het nemen van monsters. De volgende dag blijkt dat vier van de zeven monsters meer dan tachtig procent amosiet (bruine asbest) bevatten - de op een na gevaarlijkste vorm van asbest".

Gevaar blijft lang onduidelijk

Eigenaar Navimin, uit Mexico, heeft dan inmiddels de inzet van een gespecialieerd opruimbedrijf vanwege de kosten van de hand gewezen.
Overleg volgt. Het KLPD schakelt de officier van justitie in, die een strafrechtelijk onderzoek begint. De Inpectie Milieuhygiëne wil via bestuursdwang de bemanning verbieden aan boord te blijven. De Otapan wordt uitgeroepen tot "dood schip".
Ingenieursbureau Search verricht donderdag 28 juni metingen aan dek en in de pompkamers en neemt stof en luchtmonsters. Search vindt de situatie "zeer verontrustend". De bemanning wordt ontsmet en naar een hotel gebracht.
Vrijdag 29 juni 2001 komen bijeen: KLPD, inspectie milieuhygiëne, arbeidsinspectie, milieudienst, regiopolitie, havenbedrijf, Search en een officier van justitie. Vraag is wie aanvullende metingen doet of betaalt. Volgens de milieudienst moetde GG & GD of de brandweer dat doen. Onduidelijk blijft het gevaar voor de volksgezondheid.
Na afloop rapporteert een agent van de regiopolitie aan zijn districtschef terwijl een medewerker van de milieudienst stadsdeel Noord informeert. De stadsdeelvoorzitter heeft het vervolgens in een gesprek met de directeur openbare orde en veiligheid(OOV) van de gemeente over een "een asbestcalamiteit" en adviseert "op te schalen naar een beleidscentrum".
De directeur OOV schakelt de Regionaal Geneeskundig Functionaris (RGF) in, die ook adviseert tot "opschaling over te gaan". Om 12.45 uur besluit de burgemeester de rampenstaf bijeen te roepen. Een officiële ramp is geboren.
Het COT constateert dat het ontbrak aan "een toezichthoudend orgaan dat verantoordelijkis voor de situatie op de Otapan". Het COT noemt het opvallend "dat er lange tijd geen af stemming was tussen de betrokken instanties". De activiteiten en werkzaamheden van de diensten bleven "sterk verkokerd" en beslissingen waren ad hoc.
De communicatie was om te huilen. "Hoewel op twee momenten een gezamenlijke vergadering is belegd, bleek achteraf slechts een deel van de betrokken partijen op de hoogte van de gebeurtenissen rond de Otapan."
Pas op 29 juni werd de hele situatie gezien als calamiteit. Dat was omdat niemand duidelijkheid kon geven over de gezondheidsrisico's. Volgens het COT werd vervolgens de stadsdeelvoorzitter van Noord onvolledig geïnformeerd en trok hij de wel verstrekte informatie niet na.
Twee inspecteurs van de inspectie milieuhygiëne van VROM noemden de reactie van de gemeente eind vorig jaar in het blad Handhaving zwaar overtrokken omdat er geen gevaar was voor de directe omgeving: "Wij hadden de situatie op het schip onder controle, maar de besprekingen met collega's niet."
VROM probeert alsnog de een half miljoen euro kostende opruimactie - die inseptember werd voltooid - te verhalen op de eigenaar. De Otapan ligt nog steeds bij Shipdock.
De gemeente heeft in reactie op het COT-rapport met "de betrokken instanties" afgesproken "dat al in het eerste stadium alle relevante partijen bij elkaarkomen, waardoor wordt voorkomen dat een informele informatiestroom ontstaat. Voorts wordt in het rampenplan een "kernteam" aangewezen dat oordeelt over eendreigende ramp of calamiteit".
Er komen geen aparte procedures voor incidenten. "De ervaring leert dat door het gebruik van aparte procedures per incident-type vaak alleen maar meer onduidelijkheid ontstaat," aldus het rapport.

bron: Het Parool