Besluit van 28 mei 1993 houdende regels voor de verwijdering van asbest bij
het slopen van bouwwerken en het uit elkaar nemen van objecten
(Asbest-verwijderingsbesluit [Versie geldig vanaf: 27-10-2000])
------------------------------------------------------------------------
Geschiedenis: Staatsblad 1993, 290;Staatsblad 1998, 171;Staatsblad 1999, 435;Staatsblad
2000, 445
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 15 april 1992, nr. MJZ 15492051, Centrale Directie Juridische
Zaken, Afdeling Wetgeving, gedaan mede namens Onze Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en
Cultuur;
Gelet op artikel 7 van richtlijn nr. 87/217/EEG van de Raad van de Europese
Gemeenschappen van 19 maart 1987, inzake voorkoming en vermindering van verontreiniging
van het milieu door asbest (PbEG L 85) en op de artikelen 24, 35, vierde lid,
en 39, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen alsmede, voor zover
het betreft het slopen van bouwwerken, op de artikelen 8, achtste lid, juncto
8, tweede lid, onderdelen d en h, en 110, eerste lid, van de Woningwet;
De Raad van State gehoord (advies van 12 november 1992, nr. W08.92.0174);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 18 mei 1993, nr. MJZ18593019, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving, uitgebracht mede namens Onze Minister
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid
en Cultuur;
Hebben goedgevonden en verstaan:
§ 1. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
§ 2. Bouwwerken
Artikel 2
In de bouwverordening wordt bepaald dat:
a. Onverminderd het ter zake bepaalde in de bouwverordening het verboden is
een bouwwerk te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester
en wethouders (sloopvergunning), voor zover in dat bouwwerk asbest aanwezig
is.
b. Het onder a bepaalde niet van toepassing is ten aanzien van bij de bouwverordening
aangegeven gevallen, mits het voornemen tot slopen bij burgemeester en wethouders
is gemeld en door hen overeenkomstig bij die verordening gegeven voorschriften
binnen acht dagen na de dag waarop het voornemen tot slopen is gemeld, is
medegedeeld dat geen sloopvergunning is vereist.
c. Indien burgemeester en wethouders ten aanzien van een bij de bouwverordening
aangegeven geval, niet binnen de termijn, bedoeld onder b, hebben medegedeeld
dat geen sloopvergunning is vereist, de mededeling van rechtswege is gedaan.
d. Burgemeester en wethouders aan een mededeling als bedoeld onder b, voorschriften
kunnen verbinden met betrekking tot de verwijdering, opslag en afvoer van
asbest binnen een bij die mededeling aangegeven termijn.
e. Een mededeling als bedoeld onder b, in elk geval wordt gedaan indien de
melding betrekking heeft op het slopen van asbestbevattende vloerbedekking
uit een tot bewoning bestemd gebouw. De houder van een mededeling als bedoeld
onder b of c, tenminste verplicht is het gestelde in een door Onze Minister
uitgegeven publikatie ter zake van het slopen van asbestbevattende vloerbedekking
in acht te nemen. De houder van een zodanige mededeling voorts verplicht is
ter zake van de afvoer van asbestbevattende vloerbedekking de in de gemeente
geldende voorschriften in acht te nemen.
f. Indien ter zake van een geval als bedoeld onder b, door Onze Minister een
publikatie is uitgegeven, de houder van een mededeling als bedoeld onder b
of c, die op een zodanig geval betrekking heeft, tenminste verplicht is het
gestelde in die publikatie in acht te nemen. De houder van een zodanige mededeling
voorts verplicht is de ter zake van de afvoer in de gemeente geldende voorschriften
in acht te nemen.
g. Een aanvraag om sloopvergunning tevens geldt als melding van het voornemen
tot slopen als bedoeld onder b.
h. Burgemeester en wethouders eisen, voor zover de aanvraag is gericht op
het verkrijgen van een sloopvergunning, de overlegging van een door een deskundig
bedrijf opgesteld onderzoeksrapport waaruit in elk geval blijkt of en op welke
plaatsen in het te slopen bouwwerk zich asbest bevindt en een door een deskundig
bedrijf opgesteld onderzoeksrapport niet hoeft te worden overlegd indien naar
het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is aangetoond
of en waar zich asbest in het bouwwerk bevindt.
Artikel 3
In de bouwverordening wordt voorts bepaald dat:
a. De houder van een sloopvergunning het slopen, voor zover dat betrekking
heeft op asbest, opdraagt aan een deskundig bedrijf.
b. De houder van een sloopvergunning een afschrift van de sloopvergunning
ter hand stelt aan het bedrijf, bedoeld onder a, dat het slopen krachtens
aanneming van werk zal uitvoeren.
c. De houder van een sloopvergunning, indien een rapport als bedoeld in artikel
2, onder h, is opgesteld, een exemplaar van dat rapport dan wel het schriftelijk
stuk waarmee naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende
mate is aangetoond waar zich asbest in het bouwwerk bevindt, ter hand stelt
aan het bedrijf, bedoeld onder a, dat het slopen krachtens aanneming van werk
zal uitvoeren.
d. De houder van een sloopvergunning, indien de sloopwerkzaamheden waarop
de vergunning betrekking heeft, krachtens aanneming van werk worden uitgevoerd,
verplicht is het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest, voordat
met de werkzaamheden wordt begonnen schriftelijk te melden aan de regiodirecteur
van de Arbeidsinspectie binnen wiens regio de werkzaamheden worden uitgevoerd.
Hij daarbij tevens mededeelt welk bedrijf de werkzaamheden uitvoert en het
tijdstip waarop met de werkzaamheden wordt begonnen.
e. Onverminderd artikel 4, onder g, onderdeel a, de houder van een sloopvergunning
het uit het bouwwerk afkomstige, opgeslagen asbest, bedoeld in artikel 4,
onder d tot en met f, overeenkomstig door burgemeester en wethouders bij de
vergunning te stellen voorschriften afvoert binnen een in de vergunning gestelde
termijn.
Artikel 3a
In de bouwverordening wordt voorts bepaald dat de artikelen 2 en 3 niet van
toepassing zijn, indien het slopen, voor zover dat betrekking heeft op asbest,
uitsluitend bestaat uit het in het kader van de uitoefening van beroep of
bedrijf:
a. als één geheel verwijderen van:
1°. verwarmingstoestellen waarin zich asbest bevindt,
2°. asbestbevattende warmteblokken van verwarmingstoestellen die een nominale
belasting kleiner dan of gelijk aan een bovenwaarde van 130 kilowatt hebben,
of
3°. onder verwarmingstoestellen geklemde, asbestbevattende platen waarin
de asbestvezels hechtgebonden zijn,
b. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbestbevattende pakkingen met uitzondering
van het:
1°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbestbevattende pakkingen
uit verwarmingstoestellen die een nominale belasting groter dan een bovenwaarde
van 2250 kilowatt hebben, of
2°. in het kader van het verwijderen van verwarmingstoestellen geheel
of gedeeltelijk verwijderen van asbestbevattende pakkingen die zich tussen
ketelleden bevinden, of
c. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbestbevattende rem- en frictiematerialen.
Artikel 3b
In de bouwverordening wordt voorts bepaald dat in afwijking van artikel 3
ten aanzien van het in het kader van beroep of bedrijf slopen van een tuinbouwkas,
voor zover dat slopen betrekking heeft op het verwijderen van asbestbevattende
voegkit:
a. de bij ministeriële regeling gegeven voorschriften worden toegepast;
b. de houder van de sloopvergunning een afschrift van die vergunning ter hand
stelt aan degene die het slopen van een tuinbouwkas uitvoert;
c. de houder van de sloopvergunning, indien een rapport als bedoeld in artikel
2, onder h, is opgesteld, een afschrift van dat rapport dan wel van het schriftelijk
stuk waarmee naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende
mate is aangetoond waar zich asbest in de tuinbouwkas bevindt, ter hand stelt
aan degene die het slopen van die kas uitvoert, en
d. de houder van de sloopvergunning zorgdraagt voor de afvoer van het verwijderde,
met asbestbevattende voegkit verontreinigde sloopmateriaal binnen een door
burgemeester en wethouders in de sloopvergunning gestelde termijn.
Artikel 4
In de bouwverordening wordt voorts bepaald dat:
a. Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar, eerst het in het bouwwerk aanwezige
asbest wordt verwijderd, voordat het bouwwerk wordt gesloopt, met uitzondering
van het slopen van een tuinbouwkas, voor zover dat slopen betrekking heeft
op het verwijderen van asbestbevattende voegkit.
b. Bij de verwijdering van het asbest uit een bouwwerk de beste bestaande
technieken worden toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te
voorkomen.
c. Het gestelde onder b niet van toepassing is, indien een mededeling als
bedoeld in artikel 2, onderdeel b of c, is gedaan, of in een geval als bedoeld
in artikel 3a of 3b.
d. Indien werkzaamheden als bedoeld in artikel 3a of 3b worden
verricht, die werkzaamheden zodanig worden verricht dat verontreiniging van
het milieu met asbest wordt voorkomen.
e. Verwijderd asbest en met asbest verontreinigd afval onmiddellijk worden
verzameld en in afgesloten niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal worden
opgeslagen, met uitzondering van met asbestbevattende voegkit verontreinigde
roeden en verontreinigd glas die bij het slopen van een tuinbouwkas vrijkomen.
f. Indien asbest als bedoeld onder e, door vorm of formaat niet in niet-luchtdoorlatend
verpakkingsmateriaal kan worden opgeslagen, het asbest in een afgesloten container
wordt opgeslagen.
g. Niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal, waarin asbest als bedoeld onder
e, is opgeslagen, wordt opgeslagen in een afgesloten container of afgesloten
opslagplaats.
h. Niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal of containers, waarin asbest
is opgeslagen als bedoeld onder e, f of g:
a. op duidelijke wijze worden voorzien van de aanduidingen voorgeschreven
op grond van het Etiketteringsbesluit asbestbevattende artikelen (Warenwet)
en
b. zodanig worden afgevoerd dat verontreiniging van het milieu met asbest
wordt voorkomen.
§ 3. Objecten
Artikel 5
1. Degene die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf voornemens
is een object waarin zich asbest bevindt geheel of gedeeltelijk uit elkaar
te nemen of te doen nemen en zich van dat asbest te ontdoen, is verplicht:
a. het uit elkaar nemen op te dragen aan een deskundig bedrijf, voor zover
het betrekking heeft op de delen waar het asbest zich in bevindt, en
b. aan dat bedrijf mede te delen waar het asbest zich bevindt.
2. Indien zich in een object asbest bevindt, maar niet vaststaat waar dat
asbest zich in het object bevindt, is degene die in het kader van de uitoefening
van beroep of bedrijf voornemens is dat object geheel of gedeeltelijk uit
elkaar te nemen of te doen nemen en zich van dat asbest te ontdoen, verplicht:
a. door een deskundig bedrijf te laten onderzoeken waar dat asbest zich bevindt;
b. het uit elkaar nemen op te dragen aan een deskundig bedrijf, voor zover
het betrekking heeft op de delen waar het asbest zich in bevindt, en
c. aan dat bedrijf het resultaat van het onderzoek, bedoeld in onderdeel a,
over te leggen.
3. Indien een redelijk vermoeden bestaat dat zich in een object asbest bevindt,
is degene die in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf voornemens
is dat object geheel of gedeeltelijk uit elkaar te nemen of te doen nemen
en zich van dat asbest te ontdoen, verplicht:
a. door een deskundig bedrijf te laten onderzoeken of en waar zich in het
object asbest bevindt;
b. indien zich in het object asbest bevindt, het uit elkaar nemen op te dragen
aan een deskundig bedrijf, voor zover het betrekking heeft op de delen waar
het asbest zich in bevindt en
c. aan dat bedrijf het resultaat van het onderzoek, bedoeld in onderdeel a,
over te leggen.
4. Degene die ingevolge het eerste, het tweede of het derde lid verplicht
is het geheel of gedeeltelijk uit elkaar nemen van het object op te dragen
aan een deskundig bedrijf dient het uit elkaar nemen van de delen waar het
asbest zich in bevindt, voordat met de werkzaamheden wordt begonnen schriftelijk
te melden aan het districtshoofd van de Arbeidsinspectie binnen wiens district
de werkzaamheden worden uitgevoerd. Daarbij deelt hij tevens mede welk bedrijf
de werkzaamheden uitvoert en het tijdstip waarop met de werkzaamheden wordt
begonnen.
Artikel 6
1. Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar, dient het asbest uit een object
te worden verwijderd, voordat het object geheel of gedeeltelijk uit elkaar
wordt genomen.
2. Bij de verwijdering van asbest uit een object worden de beste bestaande
technieken toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te voorkomen.
Artikel 7
1. Verwijderd asbest en met asbest verontreinigd afval dienen onmiddellijk
te worden verzameld en in afgesloten niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal
te worden opgeslagen.
2. Indien asbest als bedoeld in het eerste lid, door vorm of formaat niet
in niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal kan worden opgeslagen, dient
het asbest in een afgesloten container te worden opgeslagen.
3. Niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal, waarin asbest is opgeslagen
als bedoeld in het eerste lid, wordt opgeslagen in een afgesloten container
of afgesloten opslagplaats.
4. Niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal of containers, waarin asbest
is opgeslagen als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, worden:
a. op duidelijke wijze voorzien van de aanduidingen voorgeschreven op grond
van het Etiketteringsbesluit asbestbevattende artikelen (Warenwet) en
b. zodanig afgevoerd dat verontreiniging van het milieu met asbest wordt voorkomen.
Artikel 8
1. De artikelen 5, 6 en 7 zijn niet van toepassing op het geheel of gedeeltelijk
uit elkaar nemen van asbestbevattende waterleidingbuizen, gasleidingbuizen
of rioolleidingbuizen alsmede de bij water-, gas- of rioolleidingbuizen behorende
asbestbevattende mantelbuizen, voor zover deze deel uitmaken van een ondergronds
water-, gas- of rioolleidingnet.
2. De artikelen 5 en 6, tweede lid, zijn niet van toepassing op het:
a. als één geheel verwijderen van:
1°. verwarmingstoestellen waarin zich asbest bevindt,
2°. asbestbevattende warmteblokken van verwarmingstoestellen die een nominale
belasting kleiner dan of gelijk aan een bovenwaarde van 130 kilowatt hebben,
of
3°. onder verwarmingstoestellen geklemde, asbestbevattende platen waarin
de asbestvezels hechtgebonden zijn,
b. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbestbevattende pakkingen met uitzondering
van het:
1°. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbestbevattende pakkingen
uit verwarmingstoestellen die een nominale belasting groter dan een bovenwaarde
van 2250 kilowatt hebben, of
2°. in het kader van het verwijderen van verwarmingstoestellen geheel
of gedeeltelijk verwijderen van asbestbevattende pakkingen die zich tussen
ketelleden bevinden, of
c. geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbestbevattende rem- en frictiematerialen.
3. De breukvlakken van de uit elkaar genomen buizen, bedoeld in het eerste
lid, worden ingesmeerd met latex op waterbasis of in niet-luchtdoorlatend
verpakkingsmateriaal verpakt, terwijl de genoemde buizen onmiddellijk worden
verzameld in een niet-lekkende container.
4. Een container als bedoeld in het derde lid, waarin buizen als bedoeld in
het eerste lid, zijn opgeslagen, wordt opgeslagen in een afgesloten opslagplaats.
5. Artikel 7, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op een container
als bedoeld in het derde lid.
6. Werkzaamheden als bedoeld in het eerste en tweede lid, worden zodanig verricht
dat verontreiniging van het milieu met asbest wordt voorkomen.
§ 4. Strafbepaling
Artikel 9
In de gemeentelijke bouwverordening wordt bepaald dat overtreding van de artikelen
2, 3, 3b en 4 een strafbaar feit is als bedoeld in artikel 110, eerste lid,
van de Woningwet.
§ 5. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 10
1. Voor zolang er nog geen deskundig bedrijf is dat voldoet aan de eisen ter
zake van asbestverwijdering, wordt een bedrijf gelijkgesteld met een ter zake
van de verwijdering van asbest deskundig bedrijf, indien bij het slopen of
het uit elkaar nemen een persoon aanwezig is die in het bezit is van een certificaat
verwijdering asbest en crocidoliet, dat is afgegeven door Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid of een door hem daartoe aangewezen instelling
zoals voorgeschreven in artikel 4.54, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
2. Indien ingevolge artikel 1, onder c, eisen zijn gesteld ter zake van asbestverwijdering
en Onze Minister een merkteken als bedoeld in artikel 1, onder c, heeft aangewezen,
worden niet-deskundige bedrijven voor een periode van anderhalf jaar gelijkgesteld
met een deskundig bedrijf, indien wordt voldaan aan het eerste lid.
3. Een bedrijf dat niet gemachtigd is een merkteken te voeren als bedoeld
in artikel 11, wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden op ten minste twee
en ten hoogste drie projectlocaties met een deskundig bedrijf gelijkgesteld,
indien:
a. het bedrijf bij een door de Raad voor Accreditatie erkende certificatie-instelling
een schriftelijke aanvraag heeft ingediend voor de verwerving van een procescertificaat
voor het verwijderen van asbest onderscheidenlijk voor asbestonderzoek,
b. het bedrijf voor het tijdstip waarop met de feitelijke uitvoering van de
desbetreffende werkzaamheden wordt begonnen, voldoet aan de theoretische eisen
ter zake van asbestverwijdering onderscheidenlijk asbestonderzoek als bedoeld
in artikel 1, onder c, en
c. het bedrijf door tussenkomst van de onder a bedoelde certificatie-instelling
in het bezit is van een schriftelijke toestemming van de Stichting Bouwkwaliteit
te Rijswijk voor het verwijderen van asbest onderscheidenlijk het uitvoeren
van asbestonderzoek op in die toestemming aangegeven projectlocaties en het
bedrijf uitsluitend asbest verwijdert onderscheidenlijk asbestonderzoek uitvoert
op die projectlocaties.
Artikel 11
Bij ministeriële regeling wijst Onze Minister de onderscheidene merktekens,
bedoeld in artikel 1, onder c, aan.
Artikel 12
1. De artikelen 2, onder a tot en met g, 3, onder a, b, d en e, 4, 9 en 11
van dit besluit treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte
van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, met dien verstande dat voor
zover de bouwverordening in overeenstemming is gebracht met deze artikelen
met uitzondering van artikel 11, vóórdat artikel 17a, tweede
lid, onderdeel b, van het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet in werking
is getreden, de desbetreffende voorschriften van de bouwverordening eerst
rechtskracht krijgen bij inwerkingtreding van genoemd artikelonderdeel van
het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet.
2. De overige artikelen van dit besluit treden in werking met ingang van de
dag waarop artikel 17a, tweede lid, onderdeel b, van het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet
in werking treedt, met uitzondering van de artikelen 2, onder h, 3, onder
c, en 5, tweede en derde lid, die in werking treden op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 13
Dit besluit kan worden aangehaald als: Asbest-verwijderingsbesluit. Lasten
en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in
het Staatsblad zal worden geplaatst.
s-Gravenhage, 28 mei 1993
Beatrix
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
J. G. M. Alders
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
B. de Vries
De Staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur,
H. J. SimonsUitgegeven de zeventiende juni 1993
De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin